De gul of kabeljauw
De gul of kabeljauw is een echte wintervis. Vanaf ongeveer midden november valt deze vis vanaf de kant bij ons te vangen. Omstreeks januari zijn ze vaak ineens weer vertrokken, om dan eind februari of begin maart weer te verschijnen. De laatste gulberichten komen dan meestal zo eind april tot begin mei.
|
||
|
|
Het beste aas voor de gul is vaak de zeepier. Hoewel zager een zeer goede tweede is. Ook pijlinktvis kan als aas worden gebruikt. Een lang, dun reepje inktvis doet echt niet onder voor een zeepier of zager. Zorg ervoor dat het reepje drie tot vier milimeter dik is. Het moet ook taps toelopen.
Wat nog beter werkt, is een aascoctail. Een aascoctail maak je op de volgende wijze: doe eerst een of twee pieren op de haak en dan een reepje inktvis. Daarna weer een zeepier en dan weer een reepje inktvis. Dit doe je in totaal drie of vier keer. Je hebt dan dus vier of vijf pieren op de haak en vier of vijf reepjes inktvis.
Zo'n aascoctail is voor een gul veel aantrekkelijker dan enkel zeepieren of zager. Bovendien is pijlinktvis een stuk goedkoper dan deze aassoorten. Knip de inktvis van tevoren in reepjes van 5 centimeter lang en drie tot vier milimeter breed. Stop ze in een plastic zakje en je hebt je aas de hele dag bij de hand.
Doordat de inktvis behoorlijk taai is, werp je het aas vrijwel nooit van de haak. Bij gul is dit erg belangrijk, want deze vis houdt van groot aas: vier of vijf pieren op een haak is beslist niet overdreven.
|
|||
|
|
De hoofdlijn is meestal 40/00. Vanaf een vlak strand, zonder stenen op de bodem, is 35/00 vaak voldoende. Met deze lijnen kan men de grootste gul binnenhalen. Maar doe alles wel met enig beleid.
Gebruik wel altijd een voorslag van 60/00. Ver werpen gaat nou eenmaal niet met een lijn van 35/00 of 40/00. Ook is de voorslag wat beter bestand tegen slijtage, zodat we wat veiliger kunnen vissen. De rommel die toch altijd wel op de bodem ligt, kan een dunne lijn namelijk gemakkelijk kapotschuren.
Voor de gul heeft men beslist een goede strandhengel nodig. Bij een grote vis moet voldoende weerstand geboden kunnen worden. Ook moet de hengel behoorlijk wat werpgewicht aankunnen. Bij zware wind heeft is toch al gauw 125 tot 150 gram loodgewicht nodig. De gul moet meestal toch wel een eindje uit de kant worden gezocht. Met de hengel moet dus goed geworpen kunnen worden. Een worp van 70 tot 80 meter is soms beslist noodzakelijk om een goede kans te maken een gul van een behoorlijk formaat te vangen. Dit is echt niet zo moeilijk als sommige mensen denken. Ga gewoon een keer 'droog' oefenen. Met enkel een loodgewicht aan het einde van de lijn en met een simpele 'overheadworp', werp je na een paar keer oefenen gemakkelijk 80 tot 100 meter.

